Gerardus Magazine 2018-3

2018-3

Heilzame verhalen

Twee dochters van een nieuwe lente

In Marcus 5, 21-43 vinden we het evangelieverhaal over het dochtertje van Jaïrus. Haar vader, bestuurder van de plaatselijke synagoge, gaat op de grote groep mensen af die samendringen rond Jezus van Nazareth en smeekt hem om hulp: ”Mijn dochtertje is doodziek. Kom mee en leg haar de handen op zodat ze gered wordt en in leven blijft.” Een tot de verbeelding sprekend verhaal. Het kind is stervende. Het meisje is twaalf en haar leventje is pas begonnen. Zou je dan niet overal hulp zoeken?

 

Jaïrus betekent ‘God ziet naar hem om’. De ontmoeting tussen Jezus en Jaïrus gaat misschien nog wel méér over God. Jezus is bereid met Jaïrus naar diens dochtertje te gaan. Het verhaal neemt een bijzondere wending. Terwijl je kunt aannemen dat Jaïrus wil dat Jezus haast maakt, lijkt Jezus geen enkele haast te hebben. Alles ligt voor hem in Gods handen. In de grote menigte die rond Jezus samendringt, loopt een wat schichtige vrouw mee. Zij lijdt al twaalf jaar aan bloedingen, is arm geworden aan dokters die haar niet hebben kunnen genezen. Alles tevergeefs.
Wat doet ze daar, die vrouw? Ze mag daar niet eens zijn, want met een kwaal als die van haar is zij volgens de joodse wet onrein. Volgens die religieuze voorschriften mag zij niemand aanraken en niemand raakt haar aan. Zelfs op haar zitkussen zal niemand anders durven zitten. Wat een eenzaam leven moet dat zijn.
Maar op een dwaze manier is zij heel moedig. De gekwelde, eenzame en verarmde vrouw bukt zich en raakt stiekem van achteren Jezus’ kleren aan. Ze heeft vast gehoord dat hij soms tekenen en wonderen doet, als een profeet. En een wonderdokter heeft ze nodig. ‘Ik raak hem zelf niet aan’, zo sust ze zichzelf, ‘alleen maar zijn kleren. Dan zal ik gered worden’. Met deze magische daad stapt ze over alle religieuze en maatschappelijke grenzen heen! Ze voelt hoe ze met de aanraking van zijn kleren ook met hem zelf in contact komt. En dat ze geneest. Een goddelijk ingrijpen? Bijna op hetzelfde moment wordt ze betrapt. “Wie heeft mijn kleren aangeraakt?” Hij heeft haar voorzichtige aanraking, een vragend gebaar, gevoeld. Hij kijkt rond, zoekt haar. Verward staat ze te beven om wat gebeurd is. Jezus ziet haar. Ze valt op haar knieën en vertelt hem alles. In haar ogen ligt de greep van de dood. Nu wordt zij eindelijk gezien. De verontwaardiging die de vrouw vreest, de klap die Jezus had kunnen uitdelen, de woede die ze van de overal oplettende religieuze leiders over zich heen zou krijgen, niets daarvan gebeurt. Jezus lijkt haar met zijn blik bijna te strelen. Hij ziet haar als een teruggevonden familielid. “Mijn dochter”, zegt hij troostend tegen haar. “Mijn dochter, uw vertrouwen is uw redding. Ga in vrede, en blijf van uw kwaal verlost”.
Voor haar moet zelfs Jaïrus, hoe belangrijk zijn functie ook is, plaats maken en wachten.
De dichter Ed. Hoornik schreef een gedicht waarin het dochtertje van deze Jaïrus aan het woord is:


Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is.


Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee en twee te zamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.


Waarom had ik daar straks ook weer verdriet?
Er zou een man die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.


De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

 

Wat denkt Jaïrus terwijl hij staat te wachten? Bijt hij op zijn lippen van ongeduld? Wrijft hij woest door zijn haren? Mensen komen hem vertellen dat zijn kleine meid gestorven is en dat het geen zin heeft om de genezer nu nog naar het kind te brengen. Jaïrus zal zich nu helemaal door God en iedereen verlaten voelen. “Wees niet bang, maar heb vertrouwen”, zegt Jezus. Nieuwsgierig volgen de vele mensen.

 

Natuurlijk droomde Jaïrus’ dochtertje van een tovenaar die haar zal genezen. Natuurlijk hoopte de vrouw dat Jezus een wonder doet. Zóveel mensen wachten op een wonder of een teken. Je zou het ze toch gunnen!

Jezus stuurt de meeste mensen weg. “Waarom die drukte en die tranen? Het kind is niet gestorven, het slaapt”. Ze lachen hem uit. Met alleen de vader, moeder en Petrus, Jakobus en Johannes gaat hij naar het kind toe. Hij pakt het meisje bij de hand en zegt: “Thalita koem”; Meisje, ik zeg je, sta op. En het kind staat op en loopt rond. “Geef haar te eten”, zegt hij. Levende mensen moeten immers eten!

 

“Heb vertrouwen”. Dit is de boodschap van Jezus, vertelt Marcus ons. Lijden en dood hebben niet het laatste woord. Geloof het maar!
Soms breekt Gods licht door in mensen. Zij vinden hun eigen spoor in de tijd. Velen volgen daarbij Jezus van Nazareth. Ze bekommeren zich om mensen die wachten op wat adem en liefde.

 

“Heb vertrouwen”. Een nog zeer jonge vrouw en een volwassen vrouw: allebei dromen ze over God. Allebei willen ze erbij horen, meedoen, niet uitgesloten zijn, maar voor het leven gemaakt. Dat feestelijk geluid klinkt door in de redding door Gods Messias van deze twee mensen. Voor hen werd het toen al Pasen.

 

Toen Jezus weer met de boot was overgestoken, verzamelde zich er een grote menigte bij hem, en hij bleef aan het meer. Een van de leiders van de synagoge, die Jaïrus heette, kwam naar hem toe, en toen hij Jezus zag, viel hij aan zijn voeten neer. Hij smeekte hem dringend; Mijn dochter ligt op sterven; kom haar de handen opleggen om haar te redden en te zorgen dat ze in leven blijft’. Hij ging met hem mee. Een grote menigte volgde hem en verdrong zich om hem heen. Onder hen was ook een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze had veel ellende doorgemaakt door de behandeling van allerlei artsen, aan wie ze haar hele vermogen had uitgegeven zonder dat ze ergens baat bij had gehad; integendeel, ze was alleen maar achteruitgegaan. Ze had gehoord over Jezus, en ze begaf zich tussen de menigte en raakte zijn bovenkleed van achteren aan, want ze dacht: Als ik alleen zijn kleren maar kan aanraken, zal ik al gered worden. En meteen hield het bloed op te vloeien en merkte ze aan haar lichaam dat ze voorgoed van de kwaal genezen was. Op hetzelfde ogenblik werd Jezus zich ervan bewust dat er kracht uit hem was weggestroomd. Midden in de menigte draaide hij zich om en vroeg: ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ Zijn leerlingen zeiden tegen hem: ‘U ziet dat de menigte zich om u verdringt en dan vraagt u: “Wie heeft mij aangeraakt?” Maar hij keek om zich heen om te zien wie het gedaan had. De vrouw, die bang was geworden en stond te trillen omdat ze wist wat er met haar was gebeurd, kwam naar hem toe en viel voor hem neer en vertelde hem de hele waarheid. Toen zei hij tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees genezen van uw kwaal’.
Nog voor hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’ Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de leider van de synagoge: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven’. Hij stond niemand toe om met hem mee te gaan, behalve Petrus, Jacobus en Johannes, de broer van Jacobus. Ze kwamen bij het huis van de leider van de synagoge en zagen daar een groep mensen die luid stonden te huilen en te weeklagen. Hij ging naar binnen en zei tegen hen: ‘Waarom maken jullie zo’n misbaar en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, het slaapt’. Ze lachten hem uit. Maar hij stuurde hen allemaal naar buiten en ging met de vader en de moeder van het kind en de leerlingen die bij hem waren de kamer van het kind binnen. Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: ‘Talita koem!’ In onze taal betekent dat: ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’ Meteen stond het meisje op en begon heen en weer te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen was met stomheid geslagen. Hij drukte hun op het hart dat niemand dit te weten mocht komen en zei dat ze haar te eten moesten geven.

Marcus 5, 21-43

Mechtild NĂ©meth